Een punt wordt gebruikt:

  1. om het einde van een zin aan te geven
  2. na afkortingen

Voorbeelden

  1. Hij fietst op straat.
  2. z.o.z., K.L.M.

Een komma plaats je om in een zin een rust aan te geven. Bij het lezen stijgt de stem dan iets, omdat de zin nog niet uitgelezen is.

Voorbeelden

  • Piet zingt, terwijl zijn zus piano speelt.
  • Amsterdam, de hoofdstad van Nederland, ligt in Noord-Holland.
  • De jongen, die daar loopt, is mijn vriend.

Een puntkomma geeft een langere rust aan dan een komma. De stem stijgt niet bij het lezen.

Meestal wordt de puntkomma in plaats van één van de voegwoorden gebruikt (en, of en maar) in zinnen die sterk met elkaar verbonden zijn. Ook wordt de puntkomma gebruikt bij opsommingen die uit lange delen bestaan.

Voorbeelden

  • Hij heeft gewerkt; bovendien heeft hij zijn werk op tijd ingeleverd.

Een dubbele punt wordt geplaatst:

vóór een opsomming

Voorbeeld

Op zijn verjaardag kreeg hij de volgende cadeaus: rolschaatsen, een boek, stiften en sokken.

vóór een verklaring (uitleg)

Voorbeeld

De motor startte niet: de benzine was op.

vóór een citaat (iets wat gezegd wordt)

Voorbeeld

Moeder zei: 'Doe je Piet de groeten?'

De apostrof ('), wordt voor verschillende doeleinden gebruikt:

  • Om letter(s) weg te laten
  • Bij meervoudwoorden die eindigen op een klinker
  • Bij woorden die in het enkelvoud eindigen op een -s of sisklank

Letter(s) weglaten

De apostrof wordt gebruikt om aan te geven dat een paar letters uit een woord zijn weggelaten.

Voorbeelden

  • een - 'n, zijn - z'n
  • des morgens - 's morgens, des middags - 's middags, des avonds - 's avonds
  • des Gravenhage - 's Gravenhage
  • des maandags - 's maandags

Meervoud

De apostrof wordt gebruikt bij meervoudsvorming van woorden die op een klinker eindigen, om te voorkomen dat het woord verkeerd wordt uitgesproken.

Voorbeelden

  • Anna's jas
  • piano's, taxi's, paraplu's, baby's
  • Let op: er zijn uitzonderingen, zoals: dominees, bureaus, procédés

Woorden die eindigen op een -s of met een sisklank

De apostrof wordt gebruikt bij woorden die in het enkelvoud eindigen op een -s of sisklank bij gebruik in de 2e naamval.

Voorbeelden

  • Frits' boek
  • Max' jas

Zoek altijd eerst de ik-vorm (stam) van het werkwoord. Die kun je vinden door van het hele werkwoord -en af te halen.

Voorbeelden

  • noemen - ik noem
  • werken - ik werk
  • branden - ik brand
  • rusten - ik rust
  • lopen - ik loop

Let vooral op dat de klank hetzelfde blijft.

Voorbeelden

  • horen - hoor (anders staat er hor)
  • gapen - gaap (anders staat er gap)
  • spelen - speel (anders staat er spel)
  • gaan - ga (twee a's op het eind mag niet!)

Let op dat de stam niet op een v of een z eindigt. De laatste letter van de stam moet veranderen in een f of een s.

Voorbeelden

  • wrijven - wrijf
  • verhuizen - verhuis
  • geven - geef
  • lezen - lees

Let op als er twee gelijke medeklinkers naast elkaar staan vóór de -en van het hele werkwoord. Om de ik-vorm (stam) te vinden moet er dan ook nog één medeklinker af.

Voorbeelden

  • hebben - heb
  • willen - wil
  • opbellen - bel op
  • schoppen - schop
  • spitten - spit
  • bidden - bid
  • oppassen - pas op
  • blaffen - blaf