Directe rede:

Als in een zin letterlijk staat wat iemand zegt, noemen we dat directe rede. 

Als iemand iets letterlijk zegt, komt het achter een dubbele punt (:), begint dat met een hoofdletter, en staat het tussen aanhalingstekens (" ").

De aannemer zei boos: "Ik wil geen vrouwelijke betonvlechters."

 

Indirecte rede:

Als je in een zin zonder dubbele punt (:) en aanhalingstekens (" ") weergeeft wat iemand zegt, noemen we dat indirecte rede.

Vaak kun je deze zinnen herkennen aan het woordje dat (bij een vraagzin aan het woordje of).

De aannemer zei boos dat hij geen vrouwelijke betonvlechters wilde.

 

Van directe rede naar indirecte rede:

Je kunt een zin in directe rede omzetten naar een zin in de indirecte rede. Belangrijk daarbij is:

  • De aanhalingstekens (" ") en de dubbele punt (:) verdwijnen uit de zin.
  • Het woordje dat wordt bijna altijd gebruikt in de zin en komt op de plaats van de dubbele punt.
  • Stel een wat vraag.

 

"Ik word later automonteur," antwoordde Elsje.

 

Om deze zin om te zetten in indirecte rede, beginnen we met degene die iets zegt. In deze zin is dat Elsje.

 

Elsje antwoordde ...

 

Daarna stel je een wat vraag:

  • Vraag: Wat antwoordde Elsje?
  • Antwoord: Dat ze later automonteur wil worden.

 

Plak deze twee delen aan elkaar en je zin is omgezet in de indirecte rede.

 

Elsje antwoordde dat ze later automonteur wil worden.

 

Nog een voorbeeld:

De arts mompelde: "Maakt u maar een nieuwe afspraak bij de assistent."

 

Om deze zin om te zetten in indirecte rede, beginnen we met degene die iets zegt. In deze zin is dat de arts.

 

De arts mompelde ...

 

Daarna stel je een wat vraag:

  • Vraag: Wat mompelde de arts?
  • Antwoord: Dat ik maar een nieuwe afspraak moet maken bij de assistent.

 

Plak deze twee delen aan elkaar en je zin is omgezet in de indirecte rede.

 

De arts mompelde dat ik maar een nieuwe afspraak moet maken bij de assistent.

 

Van indirecte rede naar directe rede

Je kunt een zin in indirecte rede omzetten naar een zin in de directe rede. Belangrijk daarbij is:

  • Het woordje dat verdwijnt.
  • De aanhalingstekens (" ") en de dubbele punt (:) komen in de zin op de plaats van dat.
  • Stel een wat vraag.

 

De juf vertelde dat iedereen tegenwoordig het beroep kan kiezen dat hij wil.

 

Om deze zin om te zetten in directe rede, beginnen we met degene die iets zegt. In deze zin is dat de juf

 

De juf vertelde ...

 

Daarna stel je een wat vraag en het antwoord zet je tussen aanhalingstekens (" "):

  • Vraag: Wat vertelde de juf letterlijk?
  • Antwoord: "Iedereen kan tegenwoordig het beroep kiezen dat hij wil."

 

Plak deze twee delen aan elkaar en je zin is omgezet in de directe rede (vergeet niet het woordje dat te vervangen voor een dubbele punt (:).

 

De juf vertelde: "Iedereen kan tegenwoordig het beroep kiezen dat hij wil."

 

Nog een voorbeeld:

Evert-Jan schamperde dat dat geen beroep is.

 

Om deze zin om te zetten in directe rede, beginnen we met degene die iets zegt. In deze zin is dat Evert-Jan.

 

Evert-Jan schamperde ...

 

Daarna stel je een wat vraag en het antwoord zet je tussen aanhalingstekens (" "):

  • Vraag: Wat schamperde Evert-Jan letterlijk?
  • Antwoord: "Dat is geen beroep!"

 

Plak deze twee delen aan elkaar en je zin is omgezet in de directe rede (vergeet niet het woordje dat te vervangen voor een dubbele punt (:).

 

Evert-Jan schamperde: "Dat is geen beroep!"

Het doel is om aardrijkskundige namen als bijvoeglijk naamwoord te kunnen gebruiken.

Aardrijkskundige namen zijn namen van plaatsen of landen, denk bijvoorbeeld aan:

  • Utrecht
  • Amsterdam
  • Rotterdam
  • BelgiĆ«
  • Marokko
  • Nederland
  • Limburg
  • Afrika
  • Amersfoort
  • enz.

Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over het zelfstandig naamwoord dat er achter staat.

Voorbeeld:

FC Utrecht is een voetbalclub uit Utrecht

FC Utrecht is een Utrechtse voetbalclub.

 

Utrechtse zegt iets over de voetbalclub. Utrechtse is nu een bijvoeglijk naamwoord.

 

Voorbeeld:

Vrouwen uit Marokko helpen elkaar om zich thuis te voelen in Nederland. 

Marokkaanse vrouwen helpen elkaar om zich thuis te voelen in Nederland.

Het werkwoordelijk gezegde in een zin is al vaker aan bod gekomen. In deze les komt er een nieuw onderwerp bij: niet-weglaatbare delen.

 

Hoe vind je het werkwoordelijk gezegde

Het werkwoordelijk gezegde is de persoonsvorm (pv) en alle andere werkwoorden in een zin.

 

Ik moet thuis altijd de afwas doen.

  • De persoonsvorm is: moet
  • Andere werkwoorden: doen
  • Werkwoordelijk gezegde: moet doen

 

Nog een voorbeeld

Er is bij Elias thuis iets vervelends gebeurd.

  • De persoonsvorm is: is
  • Andere werkwoorden: gebeurd
  • Werkwoordelijk gezegde: is gebeurd

 

Niet-weglaatbare delen

Kijk eens naar de volgende zin.

 

Hij belt zijn beste vriend Berend op.

  • De persoonsvorm is: belt
  • Andere werkwoorden: -
  • Werkwoordelijk gezegde: belt op

 

Het werkwoordelijk gezegde zou nu belt moeten zijn. Maar het hele werkwoord in deze zin is: opbellen. Het woordje op hoort dus bij het werkwoordelijk gezegde. Het werkwoordelijk gezegde in deze zin is dus: belt op.

 

Nog een voorbeeld

Ze verveelt zich de hele dag.

  • De persoonsvorm is: verveelt
  • Andere werkwoorden: -
  • Werkwoordelijk gezegde: verveelt zich (het hele werkwoord is: zich vervelen).

 

Het woordje 'te'

Wat ook nieuw is in het werkwoordelijk gezegde is het woordje 'te'. Als het woord 'te' voor het werkwoord staat, moet dat ook in het werkwoordelijk gezegde.

 

Andere kinderen hoeven thuis vast minder te doen dan hij.

  • De persoonsvorm is: hoeven
  • Andere werkwoorden: doen
  • Werkwoordelijk gezegde: hoeven te doen (Het woordje 'te' staat voor het werkwoord doen).

Taal kan op verschillende manieren gebruikt worden. In deze les gaan we het hebben over vaktaal, beeldspraak en verzachtende uitdrukking.

Vaktaal

Vaktaal is de taal die mensen gebruiken in een bepaald beroep. Ze doen dit om makkelijk over bepaalde onderwerpen te kunnen praten. Als je dat beroep zelf niet uitoefent, weet je vaak niet waar het over gaat.

 

2 voorbeelden van vaktaal:

  1. Je moet overstag, anders verlaten we de vaargeul. (Dit voorbeeld hoort bij het beroep schipper)
  2. Volgens de toets zit jij bij niveaulezen op AVI 9. (Dit voorbeeld hoort bij het beroep leraar)

 

Beeldspraak

Als iemand beeldspraak gebruikt, dan probeert hij iets beeldend te beschrijven. Het wordt dan figuurlijk bedoeld. Als je beeldspraak letterlijk zou nemen, dan ziet dat er ook heel raar uit.

 

2 voorbeelden van beeldspraak:

  1. Hij kreeg vlinders in zijn buik als hij Tamara zag.
  2. De oplossing lag voor het grijpen.

 

  1. In dit voorbeeld bedoelen ze dat iemand verliefd is. Hij krijgt niet echt vlinders in zijn buik.
  2. In dit voorbeeld bedoelen ze dat de oplossing eenvoudig is. De oplossing ligt natuurlijk niet echt ergens om zo maar op te pakken.

 

Verzachtende uitdrukking

Een verzachtende uitdrukking wordt vaak gebruikt om iets aardiger of zachter te omschrijven. Zo kun je in plaats van 'stank' ook het woord 'geurtje' gebruiken.

 

2 voorbeelden van een verzachtende uitdrukking:

  1. Hij is een bekende van de politie.
  2. Iedere dinsdag komt de interieurverzorgster bij ons thuis.

 

  1. In dit voorbeeld bedoelen ze dat hij een crimineel is. Een bekende van de politie klinkt hier minder erg.
  2. In dit voorbeeld bedoelen ze een schoonmaakster. Interieurverzorgster klinkt hier veel deftiger