Deze les gaat over het lijdend voorwerp in een zin. In een zin doet het onderwerp iets met het lijdend voorwerp.

Lijdend voorwerp

Om het lijdend voorwerp te vinden in de zin stel je de vraag: wat (wie) + gezegde + onderwerp?

 

Voorbeeld:

  • De juf zet de nieuwe stoel neer.
  • Persoonsvorm: zet
  • Onderwerp: De juf
  • Gezegde: zet neer
  • Om het lijdend voorwerp te vinden stel je de vraag: Wat zet de juf neer?
  • Antwoord: de nieuwe stoel.
  • Lijdend voorwerp: de nieuwe stoel. 

  

Voorbeeld:

  • Alle kinderen hebben een vrije dag.
  • Persoonsvorm: hebben
  • Onderwerp: Alle kinderen
  • Gezegde: hebben
  • Wat hebben alle kinderen?
  • Lijdend voorwerp: een vrije dag.

Koppelwerkwoorden

Om het naamwoordelijk gezegde te kunnen vinden in een zin, moet je negen werkwoorden al kennen. Dat zijn:

  • Zijn
  • Worden
  • Blijven
  • Blijken
  • Schijnen
  • Lijken
  • Heten
  • Dunken
  • Voorkomen

Deze negen werkwoorden noemen we koppelwerkwoorden. Een koppelwerkwoord koppelt een onderwerp aan een zelfstandig naamwoord of aan een bijvoegelijk naamwoord.

 

Koppelwerkwoord met een zelfstandig naamwoord

Voorbeeld

Mijn broer is voetballer

Het onderwerp in deze zin is Mijn broer.

De persoonsvorm in deze zin is is.

De persoonsvorm kan nu niet het gezegde zijn, want ik kan niet zeggen Mijn broer is. De zin is nog niet af. Want wat is mijn broer?

Het zelfstandig naamwoord voetballer moet erbij.

Het gezegde in deze zin bestaat dus niet uit de persoonsvorm en alle andere werkwoorden, maar uit de persoonsvorm en een zelfstandig naamwoord.

Het naamwoordelijk gezegde in deze zin is dan ook is voetballer.

 

Koppelwerkwoord met een bijvoegelijk naamwoord 

Voorbeeld:

Mijn zusje is knap

Het onderwerp in deze zin is Mijn zusje.

De persoonsvorm in deze zin is is.

De persoonsvorm kan niet het gezegde zijn, omdat ik niet kan zeggen mijn zusje is.

Het bijvoegelijk naamwoord knap moet erbij.

Het gezegde in deze zin bestaat uit de persoonsvorm en een bijvoegelijk naamwoord.

Het naamwoordelijk gezegde is dan ook is knap.

  

Voorbeeldzinnen met de negen koppelwerkwoorden

 

koppelwerkwoord: zijn

Mijn buurman is voetballer.

Naamwoordelijk gezegde: is voetballer

 

koppelwerkwoord: worden

Mijn zusje wordt verpleegster.

Naamwoordelijk gezegde: wordt verpleegster

 

koppelwerkwoord: blijven

Die man blijft jong.

Naamwoordelijk gezegde: blijft jong

 

koppelwerkwoord: blijken

Die jongen blijkt onschuldig.

Naamwoordelijk gezegde: blijkt onschuldig

 

koppelwerkwoord: schijnen

Die fiets schijnt kapot.

Naamwoordelijk gezegde: schijnt kapot

 

koppelwerkwoord: lijken

Die voorstelling lijkt interessant.

Naamwoordelijk gezegde: lijkt interessant

 

koppelwerkwoord: heten

Mijn broer heet Johan

Naamwoordelijk gezegde: heet Johan

 

koppelwerkwoord: dunken

Die opgave dunkt me gemakkelijk

Naamwoordelijk gezegde: dunkt gemakkelijk

 

koppelwerkwoord: voorkomen

Die agent komt me bekend voor.

Naamwoordelijk gezegde: komt me bekend voor.

 

Voor deze les moet je de volgende spreekwoorden kennen:

 SpreekwoordBetekenis 
Branden van ongeduld Ongeduldig zijn
De bokkenpruik op hebben Een slecht humeur hebben
Haken en ogen hebben Dat is best wel moeilijk
Een figuur slaan Een belachelijke indruk maken
Een rib uit je lijf Het is duur
Haar op je tanden hebben Erg flink of moedig zijn
Kleren maken de man Iemand die goed gekleed is, maakt een goede indruk
De plank mis slaan Een fout maken
Liefde maakt blind Als je verliefd bent, zie je niet echt hoe iemand is
Nog niet droog achter de oren zijn Nog niet volwassen zijn
Door dik en dun Blijvend
Hij is een vrolijke frans Als hij binnenkomt is het meteen feest
Zij zitten elkaar in de haren Zij maken altijd ruzie
Zij is vel over been Zij is heel erg mager
Iemand het bloed onder de nagels vandaan halen Iemand treiteren of irriteren
Hij is zwaar op de hand Hij ziet alles negatief
Het oog wil ook wat Weten dat het belangrijk is om er goed uit te zien