Je kunt op drie verschillende manieren de persoonsvorm in een zin vinden.

  • Zet de zin in een andere tijd
  • Maak een vraagzin
  • Zet de zin in enkelvoud of meervoud

Zet de zin in een andere tijd

Als je de zin in een andere tijd zet, is de persoonsvorm het werkwoord dat verandert.

Voorbeeld

  • Jan loopt over straat
  • Jan liep over straat
  • Mijn vader heeft een cadeau gekocht.
  • Mijn vader had een cadeau gekocht.

Maak een vraagzin

Als je de zin vragend maakt, staat de persoonsvorm vooraan.

Voorbeeld

  • Jan loopt over straat.
  • Loopt Jan over straat?
  • Mijn vader heeft een cadeau gekocht.
  • Heeft mijn vader een cadeau gekocht?

Zet de zin in enkelvoud of meervoud

De persoonsvorm is het werkwoord dat verandert als je de zin omzet van enkelvoud naar meervoud, of andersom.

Voorbeeld

  • Jan loopt over straat.
  • De jongens lopen over straat.
  • Mijn vader heeft een cadeau gekocht.
  • Mijn ouders hebben een cadeau gekocht.

Om het onderwerp te vinden in een zin, zoek je eerst de persoonsvorm. Met behulp van de persoonsvorm kun je het onderwerp op twee verschillende manieren vinden.

  • Zet de persoonsvorm in enkelvoud of meervoud
  • Stel de vraag: wie (wat) + pv

Zet de persoonsvorm in enkelvoud of meervoud

Zoek eerst de persoonsvorm in de zin. Staat de persoonsvorm in enkelvoud, maak er dan meervoud van. Staat de persoonsvorm in meervoud, maak er dan enkelvoud van. Het deel van de zin dat gelijktijdig met de persoonsvorm mee verandert is het onderwerp.

Voorbeeld

  • De leerling opent het boek.
  • De persoonsvorm is opent.
  • opent wordt openen
  • De leerlingen openen het boek.
  • De leerling verandert mee met de persoonsvorm
  • Het onderwerp is de leerling

Stel de vraag wie(wat) + pv

Zoek eerst de persoonsvorm in de zin. Stel daarna de vraag: wie of wat + pv.

Voorbeeld

  • De voetballer scoort een doelpunt.
  • De persoonsvorm is scoort
  •  
  • Stel de vraag: Wie scoort?
  • Antwoord: De voetballer
  • Onderwerp is: de voetballer

Om het Lijdend voorwerp in een zin te vinden kun je een vraag stellen.

 

Wat + gezegde + onderwerp.

Voorbeeld

  • Karel heeft een bal gekregen.
  • De persoonsvorm is heeft
  • Het onderwerp is Karel
  • Het werkwoordelijk gezegdeis heeft gekregen
  • Vraag: Wat heeft Karel gekregen?
  • Antwoord: een bal
  • Het lijdend voorwerp is een bal

Nog een voorbeeld

  • De leraar vertoont de dia's aan de klas.
  • De persoonsvorm is vertoont
  • Het onderwerp is de leraar
  • Het werkwoordelijk gezegde is vertoont
  • Vraag: Wat vertoont de leraar?
  • Antwoord: de dia's
  • Het lijdend voorwerp is de dia's

Alle werkwoorden samen in een zin vormen het werkwoordelijk gezegde. Soms staat er maar één werkwoord in de zin. Dat werkwoord is dan persoonsvorm en werkwoordelijk gezegde.

Het werkwoordelijk gezegde vind je door het volgende te doen:

  • Zoek eerst de persoonsvorm
  • Kijk goed of er nog andere werkwoorden in de zin staan. De persoonsvorm en alle andere werkwoorden zijn samen het werkwoordelijk gezegde

Voorbeeld

  • Vader heeft de aardappelen geschild.
  • De persoonsvorm is heeft.
  • Er is nog een ander werkwoord: geschild
  • Het werkwoordelijk gezegde is: heeft geschild

Nog een voorbeeld

  • De school zal binnenkort geverfd worden.
  • De persoonsvorm is zal
  • Andere werkwoorden: geverfd en worden
  • Het werkwoordelijk gezegde: zal geverfd worden

Om de bepaling van plaats te kunnen vinden in een zin kun je een vraag stellen met het vraagwoord waar.

Voorbeeld

  • Veel kinderen plakken plaatjes van hun idool in hun agenda.
  • Vraag: Waar plakken veel kinderen plaatjes van hun idool?
  • Antwoord: in hun agenda.
  • De bepaling van plaats in deze zin is: in hun agenda.

Nog een voorbeeld

  • Hylke heeft een foto van zijn favoriete voetballer op zijn T-shirt.
  • Vraag: Waar heeft Hylke een foto van zijn favoriete voetballer?
  • Antwoord: op zijn T-shirt.
  • De bepaling van plaats in deze zin is: op zijn T-shirt.