Verschillende betekenissen

Soms heb je verschillende woorden die bijna dezelfde betekenis hebben. Denk bijvoorbeeld aan rustig, stil en muisstil. Welk woord je kiest hangt af van de situatie. Kijk maar eens naar het volgende voorbeeld.

Voorbeeld

  • Toen de juf in woede uitbarstte, werd het ... in de klas.
  • Iedereen was lekker ... bezig met zijn werk.
  • Wees eens ..., volgens mij hoor ik wat!

In deze drie situaties kun je kiezen uit rustig, stil en muisstil. Deze drie woorden hebben bijna dezelfde betekenis, maar de situatie geeft aan welk woord het beste past.

  • Toen de juf in woede uitbarstte, werd het muisstil in de klas.
  • Iedereen was lekker rustig bezig met zijn werk.
  • Wees eens stil, volgens mij hoor ik wat!

Woorden om te leren

Voor de toets moet je de volgende rijtjes kennen:

  • geluid - geroezemoes - herrie
  • vreselijk - jammer - storend
  • zeggen - schreeuwen - roepen
  • trilde - schudde - wiegde
  • knarsten - piepten - ritselden
  • knarsten - tikten - ritselden
  • gezoem - gepiep - geraas
  • knal - explosie - uitbarsting
  • sloeg - klopte - bonkte
  • raasde - zoemde - suisde
  • erg - onverdraaglijk - behoorlijk
  • huilen - snikken - krijsen
  • keihard - hard - oorverdovend
  • keihard - daverend - hard
  • glimlach - schaterlach - lach
  • getik - gespat - geraas
  • gil - schreeuw - roep
  • mooi - aantrekkelijk - adembenemend
  • plaag - pest - irriteer
  • afschuwelijk - erg - verchrikkelijk

De lijdende en bedrijvende vorm

In deze les gaan we zinnen in de bedrijvende vorm omzetten naar de lijdende vorm en omgekeerd.

Bedrijvende vorm naar lijdende vorm

Belangrijk om te weten:

  • De bedrijvende vorm is een zin met een onderwerp een gezegde en een lijdend voorwerp.
  • De lijdende vorm kun je herkennen door het werkwoord worden en het woord door.
  • Het lijdend voorwerp in de bedrijvende zin, wordt onderwerp in de lijdende zin.

Voorbeeld

  • De hard telefonerende man stoorde de andere reizigers.
  • pv = stoorde
  • Ond = De hard telefonerende man
  • lv = de andere reizigers

Om deze zin om te zetten in de lijdende vorm, wordt het lijdend voorwerp nu het onderwerp en gebruik ik het werkwoord worden.

  • De reizigers worden gestoord.

Je kunt het onderwerp van de vorige zin nog toevoegen met behulp van het woord door.

  • De reizigers worden gestoord door de hard telefonerende man.

 

Lijdende vorm naar bedrijvende vorm

Je kunt een zin in de lijdende vorm herkennen door het werkwoord worden en het woord door.

Voorbeeld

  • Mijn vader werd opgebeld door de notaris.
  • Ik begin de nieuwe zin met datgene wat achter door staat. Dat wordt namelijk het onderwerp in de bedrijvende zin.
  • De notaris ...

Het werkwoord werd, wordt uit de zin gehaald en komt niet terug in de bedrijvende vorm. Nu moet ik de zin nog kloppend maken.

  • De notaris belde mijn vader op.

Deze les gaat over bezittelijke voornaamwoorden. Een bezittelijk voornaamwoord geeft aan dat iemand iets bezit.

Voorbeeld

Ik heb een tas.

Het is mijn tas

Mijn geeft in deze aan dat de tas van mij is. De tas is mijn bezit.

 

Voor ieder persoonlijk voornaamwoord is er een bijbehorend bezittelijk voornaamwoord:

Persoonlijk voornaamwoordBezittelijk voornaamwoord
Ik Mijn
Jij Je of jouw
U Uw
Hij Zijn
Zij Haar
Wij Ons (bij woorden met het als lidwoord. Het lokaal, wordt ons lokaal)
Wij Onze (bij woorden met de als lidwoord. De klas, wordt onze klas)
Jullie Jullie of je
Zij (meervoud) Hun

 

Voorbeelden voor ieder bezittelijk voornaamwoord:

Ik heb een tas. Het is mijn tas.
Jij hebt een tas. Het is jouw tas.
U heeft een tas. Het is uw tas.
Hij heeft een tas. Het is zijn tas.
Zij heeft een tas. Het is haar tas.
Wij hebben een tas. Het is onze tas. (het is de tas, dus wordt het onze)
Jullie hebben een tas. Het is jullie tas.
Zij hebben een tas. Het is hun tas.

 

 

 

 

In deze les leer je wat een meewerkend voorwerp is en hoe je dit zinsdeel kunt vinden in een zin.

Het meewerkend voorwerp

Het meewerkend voorwerp in de zin is het woord, waar je aan of voor voor kunt zetten. Soms staat er al aan of voor in de zin.

Voorbeeld

  • De man in de winkel verkoopt Jesse een cd-speler.
  • Persoonsvorm: verkoopt
  • Onderwerp: de man in de winkel
  • Lijdend voorwerp: een cd-speler

Je hebt nu nog het woord Jesse over. Je kunt de vraag stellen: Aan wie wordt de cd-speler verkocht?

Antwoord : aan Jesse

Het meewerkend voorwerp in deze zin is dus Jesse.

 

Nog een paar voorbeelden

  • Opa vertelde ons een mooi verhaal.
  • Meewerkend voorwerp: ons (Aan wie vertelde opa een mooi verhaal?)

Een zin waar het woord aan al in staat:

  • De jongens vragen aan niemand hulp.
  • Meewrkend voorwerp: aan niemand (Aan wie vragen de jongens hulp?)

Een zin waar het woord voor al in staat:

  • De juf bestelde voor de kinderen een ijsje.
  • Meewerkend voorwerp: voor de kinderen (Voor wie bestelde de juf een ijsje?)