In deze les leer je hoe je een woord in het enkelvoud kunt omzetten in het meervoud op a of i. Het gaat om woorden die in het enkelvoud eindigen op icus en um.

Woorden die eindigen op icus duiden altijd een persoon aan. Bijvoorbeeld een medicus, een politicus, een historicus enz. Woorden die eindigen op um zijn bijvoorbeeld museum, laboratorium, datum enz.

Bij het omzetten van het enkelvoud naar het meervoud gelden de volgende regels:

  • Woorden die eindigen op icus krijgen in het meervoud ici
  • Woorden die eindigen op um krijgen in het meervoud a
Woorden die eindigen op icus
Enkelvoud Meervoud 
historicus historici
musicus musici
politicus politici
romanticus romantici
chemicus chemici
technicus technici
alcoholicus alcoholici
criticus critici
diabeticus diabetici
medicus medici
Woorden die eindigen op um
Enkelvoud  Meervoud 
millennium millennia
podium podia
crematorium  crematoria 
dolfinarium dolfinaria
museum musea
laboratorium laboratoria
jubileum jubilea
centum centra
medium media
minimum minima

In deze les kun je van gegeven woorden of woordcombinaties de afkorting geven en kun je van de afkorting het gegeven woord of de woordcombinatie afleiden.

Het gebruik van afkortingen bespaart veel tijd, ruimte en soms ook geld. Bijvoorbeeld als je een advertentie wilt plaatsen. Het nadeel van afkortingen is dat degene waar je de boodschap aan stuurt de afkorting wel moet kennen. 

Als je een afkorting niet kent, kun je de betekenis vinden, door naar de letters van de afkorting te kijken. Soms wordt het duidelijk door het gebruik van de afkorting in de zin. Kun je de betekenis van de afkorting niet afleiden, kijk dan in het woordenboek.

De volgende afkortingen moet je kennen:

Afkorting  Woord / woordcombinatie / betekenis 
jl. jongstleden
i.p.v.  in plaats van
nl. namelijk
ca. circa
t.z.t. te zijner tijd
NB nota bene
t.a.v. ten aanzien van
L.S. Lectori salutem
e.d. en dergelijke
zgn. zogenaamd
PS / P.S. postscriptum
i.v.m. in verband met

In deze les leer je hoe je van een werkwoord een tegenwoordig deelwoord maakt.

Er zijn verschillende manieren hoe een werkwoord in een zin kan voorkomen. Dat kan als persoonsvorm, heel werkwoord, voltooid deelwoord of als bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord. Als een werkwoord in een voltooid deelwoord staat, dan is de activiteit al voltooid, dus klaar.

Voorbeeld

  • Ik heb gelopen (voltooid deelwoord van lopen).
  • De gelopen marathon (bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord van lopen).

Bij een tegenwoordig deelwoord is de activiteit nog aan de gang.

Voorbeeld

  • Ik ga lopend naar school (lopend is het tegenwoordig deelwoord van lopen).
  • De kinderen gaan fietsend naar kamp (fietsend is het tegenwoordig deelwoord van fietsen.(/li>

Het tegenwoordig deelwoord, maak je door achter het hele werkwoord een d (of de) te zetten.

In deze les gaan we het hebben over formeel en informeel taalgebruik.

Als je taal formeel gebruikt, doe je alles netjes volgens de regels. Je kunt formeel taalgebruik herkennen aan het gebruik van u en uw, volzinnen, geen modewoorden en een mooie opbouw in de tekst.

Voorbeeld van formeel taalgebruik

Formulieren met uw mening over de voordracht kunt u inleveren bij de balie in de foyer.

Informeel taalgebruik kun je herkennen aan het gebruik van je en jij, korte zinnen en populair taalgebruik.

Voorbeeld van informeel taalgebruik

Je bent wel maf als je dit laat schieten