In deze les leer je het gezegde in een zin te vinden.

Alle werkwoorden samen in een zin vormen het (werkwoordelijk) gezegde. Soms staat er maar één werkwoord in de zin. Dat werkwoord is dan persoonsvorm en werkwoordelijk gezegde.

Het werkwoordelijk gezegde vind je door het volgende te doen:

  • Zoek eerst de persoonsvorm
  • Kijk goed of er nog andere werkwoorden in de zin staan. De persoonsvorm en alle andere werkwoorden zijn samen het werkwoordelijk gezegde

Voorbeeld

  • Vader heeft de aardappelen geschild.
  • De persoonsvorm is heeft.
  • Er is nog een ander werkwoord: geschild
  • Het werkwoordelijk gezegde is: heeft geschild

Nog een voorbeeld

  • De school zal binnenkort geverfd worden.
  • De persoonsvorm is zal
  • Andere werkwoorden: geverfd en worden
  • Het werkwoordelijk gezegde: zal geverfd worden

In deze les leer je:

  • samenstellingen maken met en
  • samenstellingen maken met s

Bekijk de volgende regels:

Je schrijft een 'n' als het eerste deel van de samenstelling een zelfstandig naamwoord is, dat een meervoud heeft op (e)n.

Voorbeelden

  • boek + bon = boekenbon (het meervoud van boek is boeken)
  • den + boom = dennenboom (het meervoud van den is dennen)
  • krant + bak = krantenbak (het meervoud van krant is kranten)

Je schrijft een 's' als je er eentje hoort.

Voorbeelden

  • stad + deel = stadsdeel
  • varken + hok = varkenshok
  • meisje + kamer = meisjeskamer

Uitzonderingen op deze regel zijn:

  • zon + bril = zonnebril (Er is maar één zon)
  • koningin + dag = Koninginnedag (Er is maar één koningin)

In deze les komen de volgende leestekens aan bod:

  • hoofdletter
  • punt
  • komma
  • uitroepteken

Hoofdletter

Je schrijft een hoofdletter:

  1. aan het begin van een zin
  2. in namen
  3. in aardrijkskundige namen
  4. in veel afkortingen

Voorbeelden

  1. De jongen loopt op straat. 's Nachts is het donker.
  2. Jan Jansen, Karel de Grote, Lodewijk de Veertiende enz.
  3. Nederland, Amsterdam, Utrecht enz.
  4. K.L.M., K.N.V.B., NL, ANWB enz.

Punt

Een punt wordt gebruikt:

  1. om het einde van een zin aan te geven
  2. na afkortingen

Voorbeelden

  1. Hij fietst op straat.
  2. z.o.z., K.L.M.

Komma

Een komma plaats je om in een zin een rust aan te geven. Bij het lezen stijgt de stem dan iets, omdat de zin nog niet uitgelezen is.

Voorbeelden

  • Piet zingt, terwijl zijn zus piano speelt.
  • Amsterdam, de hoofdstad van Nederland, ligt in Noord-Holland.
  • De jongen, die daar loopt, is mijn vriend.

Uitroepteken

Een uitroepteken wordt gebruikt:

  1. na een uitroep aan het eind van de zin
  2. na een uitroep binnen een zin, om een woord te benadrukken

Voorbeelden

  1. Wat is dat voor een onzin!
  2. Ellen! maak dat je wegkomt.

In deze les komen verschillende spreekwoorden, uitdrukkingen en gezegdes voor. Hieronder vind je van de verschillende spreekwoorden, uitdrukkingen en gezegdes een lijst met daarbij de bijbehorende betekenissen.

 
Spreekwoord, uitdrukking, gezegdeBetekenis
Spullen aan de straatstenen niet kwijt kunnen. Spullen niet kunnen verkopen. Niemand wil het hebben.
Ze zijn er een kei in geworden. Ze zijn er heel goed in geworden.
Voor geen prijs laten ze dat plan varen. Het gaat ze hoe dan ook lukken. Ze geven nooit op.
Ze hebben het niet breed. Ze verdienen niet zo veel. Ze hebben niet veel geld.
Ze heeft haar zinnen er op gezet. Ze wil het heel graag. Ze doet er alles aan.
Ze is in de zevende hemel. Ze is heel gelukkig. Ze is heel blij.
Je krijgt echt waar voor je geld. Je krijgt goede spullen voor je geld.
Dan slaan ze meteen hun slag. Dan beginnen ze meteen.
Het kost een habbekrats. Het is heel goedkoop.
Het is voor hen liefdewerk oud papier Ze doen het voor niks. Ze doen het vrijwillig.
Ze moeten de broekriem aanhalen. Ze moeten zuinig aan doen. Ze moeten op hun geld letten.
Dat moet genoeg geld in het laatje brengen. Dat moet genoeg geld verdienen / opleveren.

In deze les leer je oorzaak-gevolg en middel-doel zinnen te maken met behulp van het juiste voegwoord.

Oorzaak-gevolg

Bij een oorzaak-gevolgrelatie is er een bepaalde gebeurtenis die volgt op een eerdere gebeurtenis of situatie.

Voorbeelden

Ik ben door een spijker gereden (oorzaak), daardoor is mijn band lek (gevolg).

Mijn band is lek (gevolg), omdat ik door een spijker ben gereden (oorzaak).

In de twee voorbeelden staat twee keer dezelfde zin. De dikgedrukte woorden zijn de voegwoorden. Je ziet dat een oorzaak-gevolg dus met verschillende voegwoorden gemaakt kan worden. Voegwoorden zijn woorden die zinnen "aan elkaar voegen". Deze woorden geven het verband aan tussen de twee zinnen. In dit geval oorzaak en gevolg.

Voegwoorden die worden gebruikt voor oorzaak-gevolg zijn:

  • omdat
  • daarom
  • vandaar
  • doordat
  • daardoor
  • waardoor