In deze les leer je hoe je een bepaling van plaats in een zin moet aangeven.

Om de bepaling van plaats te kunnen vinden in een zin kun je een vraag stellen met het vraagwoord waar.

Voorbeeld

  • Veel kinderen plakken plaatjes van hun idool in hun agenda.
  • Vraag: Waar plakken veel kinderen plaatjes van hun idool?
  • Antwoord: in hun agenda.
  • De bepaling van plaats in deze zin is: in hun agenda.

Nog een voorbeeld

  • Hylke heeft een foto van zijn favoriete voetballer op zijn T-shirt.
  • Vraag: Waar heeft Hylke een foto van zijn favoriete voetballer?
  • Antwoord: op zijn T-shirt.
  • De bepaling van plaats in deze zin is: op zijn T-shirt.

In deze les leer je dat er in het Nederlands verschillende woorden worden gebruikt die uit een vreemde taal komen. Van elk woord, moet je weten uit welke taal ze komen.

We gebruiken de volgende Engelse woorden:

helpdesk, team, manager, speech, show, quiz, walk, step, handsfree, cake, whisky, poster.

We gebruiken de volgende Duitse woorden:

überhaupt, sowieso, apfelstrudel.

We gebruiken de volgende Franse woorden:

café, restaurant, parasol, garage, souffleur, revue, premeière, affiche, troittor.

We gebruiken de volgende Spaanse woorden:

guerilla, tortillas

We gebruiken de volgende Italiaanse woorden:

cappuchino, pizza, spaghetti.

In deze les leer je hoe je het voltooid deelwoord kunt gebruiken als bijvoeglijk naamwoord.

Een bijvoeglijk naamwoord is een woord dat iets zegt over het zelfstandig naamwoord. (dik, dun, groot, klein). Als je het voltooid deelwoord bij een zelfstandig naamwoord zet wordt het voltooid deelwoord bijvoeglijk gebruikt en zegt het iets over het zelfstandig naamwoord.

Voorbeelden

  • Ik heb het boek gekocht.
  • Voltooid deelwoord: gekocht
  • Zelfstandig naamwoord: het boek
  • het gekochte boek.
  • gekocht zegt iets over het boek.

  • Wij hebben de wedstrijd gewonnen.
  • Voltooid deelwoord: gewonnen
  • Zelfstandig naamwoord: de wedstrijd
  • de gewonnen wedstrijd
  • gewonnen zegt iets over wedstrijd.

Regel

  • Als het voltooid deelwoord eindigt op -en, dan blijft het hetzelfde als het als bijvoeglijk naamwoord wordt gebruikt.
  • Als het voltooid deelwoord eindigt op een -d of een -t, dan komt er een -e achter (bij de lidwoorden de en het).
  • Als het voltooid deelwoord eindigt op een -d of een -t, en het lidwoord dat wordt gebruikt is een, dan vervalt de -e (een geslaagd feest).

In deze les leer je samenstellingen maken van twee woorden. Om samenstellingen te maken zijn er verschillende regels.

De meeste samenstellingen worden gemaakt door achter het eerste woord -en te zetten. (kersenboom).

Sommige woorden hebben geen tussen -en, maar alleen een tussen -e. Dit zijn woorden waarvan het eerste woord geen meervoud heeft. (rijstebrij, rodekool). Of waarvan het woord in het meervoud eindgt op -es (aspergesoep, etalagepop).

De hoofdregel is:

Je schrijft de tussen -en wanneer het eerste woord van de samenstelling een zelfstandig naamwoord is dat:

  • in het enkelvoud eindigt op -e en alleen in het meervoud op -en (getuige / getuigeverklaring).
  • in het enkelvoud niet op -e eindigt en een meervoud heeft op -en (krant / krantenartikel).

Een paar woorden hebben een -e als tussenletter, ook al hebben ze volgens de hoofdregel -en. Dit zijn de uitzonderingen:

  • woorden die verwijzen naar  een persoon of zaak waar er maar één van is (zonneschijn, Koninginnedag).
  • samenstelling waarvan het eerste deel alleen wordt gebruikt als versterking van het (bijvoeglijk) tweede deel (apetrots, boordevol).
  • woorden die een samenstelling lijken maar dat niet zijn (papegaai, bolleboos).
  • samenstellingen die zo normaal zijn dat ze niet meer als samenstelling worden herkend (elleboog, nachtegaal).